Aan allen die ik beledigd heb of in de toekomst zal beledigen
Ik heb lang getwijfeld of ik het zou vertellen, maar ik moet het echt kwijt. Daarom richt ik me tot u. Ik hoop dat ik me via dit schrijven kan ontdoen van het ondraaglijke gevoel in de toekomst mijn vrije mening niet meer te kunnen ventileren. Mijn excuses als ik u beledig maar ik hoop dat uw gezond verstand mijn bekommernis niet in de weg staat.
U gaat echt te ver, te ver terug in de geschiedenis van de menselijke vooruitgang. U overschrijdt een grens van onze democratische samenleving wanneer u het beledigen van religieuze gevoelens strafbaar wilt stellen. Stel dat we morgen een verfilming van de Da Vinci Code (Dan Brown) zouden censureren uit schrik om op religieuze harten te trappen... Wat doen we dan met de artistieke vrijheid en de maatschappelijke noodzakelijkheid om aan de hand van culturele producten bepaalde meningen of gedachten te ventileren in de publieke ruimte? Ik kan me immers niet voorstellen dat Dan Brown ooit de bedoeling heeft gehad om bewust religieuze gevoelens in diskrediet te brengen, zij het alleen al omdat het een fictief verhaal betreft. Heeft een fictieverhaal niet juist en alleen de bedoeling om ons mee te voeren naar een rustige en vredevolle wereld waar alles mogelijk is, ver weg van de dagelijkse realiteit? Het moment dat we dit onderscheid niet meer maken, zijn we ver van huis. En stel dat bepaalde passages toch beledigend zouden zijn, is het dan niet beter en vanzelfsprekend zijn grieven op een volwassen manier kenbaar te maken vooraleer men de man naar de slachtbank leidt via een verbod op blasfemie.
Het misdrijf godslastering krijgt opnieuw grote voorspraak. Conservatieve leiders (Benedictus XVI, grootimam van de Al-Azhar universiteit in Caïro) pleiten voor een algemeen verbod op godslastering. In een aantal landen, ook in de Europese Unie (vb. Nederland, Griekenland), bestaat godslastering reeds als misdrijf. Hoe kunnen we een misdrijf als godslastering aanvaarden als het bewijs voor het bestaan van god niet eens kan geleverd worden? Hoe kunnen we iets dat niet bestaat beledigen? Een ongelovige moet uiteraard respect tonen wanneer hij een religieus gebouw betreedt, maar mag niet in de open ruimte, die onze samenleving is, gedwongen worden om de taboes van welke religie ook in acht te nemen. Indien dit zou verplicht worden, onderwerpen we de ongelovige aan de godsdienstige praktijken. En dat is onverenigbaar met een seculiere democratie. Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft deze visie in zijn arrest van Giniewski (31 januari 2006) gevolgd hoewel hetzelfde Hof vroeger een ietwat andere stelling had ingenomen in zijn arrest van 13 december 2005.
In plaats van een zaak aan te spannen voor een gerechtelijk tribunaal, lijkt het me eerder aangewezen het geschil te bepleiten voor de rechtbank van de rede. Tenzij men bang is het pleit reeds op voorhand te verliezen en men zijn onmacht rechterlijk wil beschermen. Dat zou jammer zijn want onze bedoelingen zijn nobel: nl. het gezond verstand te laten primeren boven hoogst persoonlijke – en voor de desbetreffende persoon misschien wel waardevolle – overtuigingen. In welke situatie zouden we immers belanden wanneer we onze democratische samenleving moeten baseren op dergelijke persoonlijke gedachten? Zou dat geen terugkeer zijn naar de donkere tijden waarin het denken en de vooruitgang systematisch afgeblokt werden? Een terugkeer naar een geestelijke slaap waarin dromen en realiteit door elkaar worden gehaald? Daar kan toch niemand voordeel bij hebben? Of toch?...
Ik maak me echt zorgen wanneer bepaalde personen bepleiters van het recht op vrije meningsuiting vereenzelvigen met mensen die erop uit zijn om mensen in hun diepste overtuiging te kwetsen (Ook een rechtsstaat kan voor respect voor ‘heilige’ gaan, De Morgen, 24/02/2006). Alsof voorstanders van het recht op vrije meningsuiting elke moraliteit ontberen. Alsof het recht op vrije meningsuiting niet reeds wordt beschermd door andere evenwaardige grondrechten (vb. vrijheid van godsdienst en overtuiging, verbod om te discrimineren op basis van ras of afkomst) en regels van goede en respectvolle omgang (vb. verbod op laster en eerroof en negationisme). En alsof de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting niet wordt bewaakt door een onafhankelijke rechterlijke instantie om misbruik tegen te gaan. Bovendien denk ik dat iedereen ondertussen wel heeft ingezien dat het afbeelden van Mohammed beledigend kan zijn voor een bepaalde groep van mensen. Dit inzicht is er niet gekomen omdat men een regel heeft uitgevaardigd die het beledigen van religieuze gevoelens verbiedt, maar omdat een publiek debat heeft plaats gevonden en nog altijd plaats vindt. Iemand die dit ontkent is intellectueel oneerlijk en misbruikt de situatie in naam van het eigen belang. Samengevat pleit ik ervoor dat ieder zijn mening mag uiten (onder bepaalde voorwaarden), ook al deel ik de ander zijn opinie niet.
Daarom hoop ik dat dergelijke dialoog wordt geïntensifieerd. Niet enkel tussen de religies maar tussen alle levensbeschouwingen en in alle lagen van de bevolking. Want onze samenleving is heel divers wat levensbeschouwingen betreft. En het kan niet dat een democratie zijn rechtsgrond vindt in de overtuigingen of gevoelens van één groep mensen, zeker niet wanneer dergelijke overtuigingen of gevoelens religieus van aard zijn. De kracht van een democratische rechtsstaat schuilt in de immanente souvereiniteit van burgers ten opzichte van religie of geloof zonder dat zij één van beide het licht in de ogen niet gunt. Niet het respect voor het ‘heilige’ dringt zich op (Ook een rechtsstaat kan voor respect voor ‘heilige’ gaan, De Morgen, 24/02/2006), maar wel het respect voor het andere denken.
Ik voel me op dit moment misschien even zwaar gekwetst als vele moslims, maar dit betekent niet dat ik mijn belagers het zwijgen wil opleggen via een gratuite en ondemocratische rechtsregel of dat ik hun huizen of andere gebouwen in brand steek. Neen, ik probeer het gewoon van me af te schrijven en andersdenkenden te confronteren met mijn overtuigingen en gedachten. Juist omdat ik geloof dat het gezonde verstand, rede, nut en pragmatisme uiteindelijk datgene is wat ons allen bindt.
Met de meeste hoogachting,
prof. dr. Michel Magits
voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen
Dit opiniestuk verscheen in De Morgen