Home Opinies en Nieuws Archief Opiniestukken De Fundamentele Principes Voor De Werking Van De Openbare Diensten En Hun Concretisering Binnen Een Interculturele Context

De Fundamentele Principes Voor De Werking Van De Openbare Diensten En Hun Concretisering Binnen Een Interculturele Context

 

MEMORANDUM VAN DE UNIE VRIJZINNIGE VERENIGINGEN

Pluralisme van culturen

Al die culturen die ons land binnenstromen kunnen niet zomaar hun culturele identiteit verloochenen. Dit wordt hen ook niet gevraagd omdat deze materie behoort tot de privé-sfeer.
Eens in de maatschappij wordt van die culturen verwacht dat zij zich plooien naar de geest van een gemeenschappelijk recht en gemeenschappelijke plichten, voor elk individu van de maatschappij toepasselijk, ongeacht de culturele identiteit. De gemeenschappelijke rechten en plichten zouden elke vorm van staathuishoudkundige discriminatie moeten voorkomen.

Het streven naar interculturaliteit is de eerste stap naar een meer tolerante samenleving waarbij de identiteit en de eigenheid van de verschillende culturen en subculturen bevestigd wordt, dit met het oog op een meer harmonisch leefpatroon voor het individu en zijn sociale context.
Neutraliteit, gelijkheid en niet-discriminatie evenals kennis, begrip en tolerantie, zijn vaste waarden die aan het individu bescherming moeten geven tegen onderdrukking door een overheersende lokale cultuur waarbij andere vormen van cultuur evenals subculturen een evenwaardige gesprekspartner moeten zijn.

Non-discriminatie

De staat ontwerpt voor een vlotte werking van haar diensten, een neutraal niet-discriminatief platform waar al de individuen gelijkwaardig zijn en gelijk behandeld worden. Om elke vorm van discriminatie tegenover andersdenkenden tegen te gaan, moet de Staat niet alleen voor een neutraal, niet-discriminerend platform zorgen, vertegenwoordigd door de openbare diensten, maar moet ze ook de toekomstige generaties opvoeden en onderwijzen, zodat non-discriminatie en het aanvaarden van andere culturen, aangeleerde reflexen worden die het individu toelaten nieuwe kennis en ervaring op te doen in plaats van de primitieve verdedigingshouding telkens het individu met een nieuwe cultuur of subcultuur wordt geconfronteerd.

Er is geen democratie mogelijk zonder de laïciteit van de Staat: de laïciteit van de publieke overheden impliceert dat dezen de vrijheid van overtuiging alsook de godsdienstvrijheid garanderen. Deze verschillende overtuigingen behoren allen tot de privé-sfeer in de zin dat de publieke overheden op geen enkele manier mogen te kennen geven dat ze als publieke autoriteit deze of gene overtuiging, lidmaatschap of geloof aanhangen of dat ze van plan zouden zijn deze een bepaald privilege te geven of een bijzondere verplichting op te leggen.

Een democratische staat is bijgevolg een lekenstaat, die aan al zijn burgers een absolute vrijheid van geweten en een volwaardig staatsburgerschap garandeert in de zin dat het behoren tot deze godsdienst of een ander of geen, niets wijzigt aan de rechten en plichten van iedereen.

Krachtens artikel 11 van de Grondwet moet het genot van de rechten en vrijheden die aan de Belgen toegekend worden zonder discriminatie verzekerd worden. Te dien einde waarborgen de wet en het decreet inzonderheid de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheden.

Neutraliteit

Het dragen van uiterlijke tekens van lidmaatschap van een culturele gemeenschap of een eredienst op school of bij de uitoefening van een openbaar ambt is een complex probleem dat alle democraten niet onberoerd laat.

Moeten of kunnen de publieke instellingen de zichtbare tekens van een godsdienstige of filosofische overtuiging verbieden zonder de principes te schenden van de vrijheid van meningsuiting en non-discriminatie?

Artikel 24 van de Grondwet legt de eis van neutraliteit op aan het onderwijs dat de gemeenschap inricht. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.
De scholen ingericht door de openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

De plicht van onpartijdigheid legt zich op aan de overheid zelf en verbiedt bijgevolg het dragen van elk teken van een of ander lidmaatschap, van elk onderscheiden gemeenschapsteken, in het bijzonder religieus of partijdig in hoofde van de vertegenwoordigers van de overheid, de gezagsdragers en zijn ambtenaren bij de uitoefening van hun functie.
Vanuit die hoedanigheid is het dragen van een teken van een lidmaatschap (in het bijzonder de hoofddoek), ontoelaatbaar voor een politiebeambte, een leerkracht of eenieder die houder is van een stukje openbare macht of openbare diensten verzorgt. Voor openbare functies moet men als neutraal ambtenaar als dusdanig herkenbaar zijn en iedereen kunnen opvangen zonder enige religieuze of politieke beïnvloeding.

De verplichting van onpartijdigheid die weegt op de overheid betreft uiteraard niet als dusdanig de burgers die gebruikers zijn van of onderworpen zijn aan de openbare dienst.

Binnen de school richt de verplichting van onpartijdigheid of neutraliteit zich tot de instelling en het personeel, maar niet – onder een zeker voorbehoud – naar de leerlingen. De vrijzinnige beweging is trouwens voorstander van een school van het staatsburgerschap die de verschillen valoriseert. In hun groei naar staatsburgerschap en volwassenheid hebben jongeren culturele identiteitsverschillen nodig. Het is juist de confrontatie met het anders-zijn van anderen die hen voorbereidt om volwassen te worden in een pluralistische maatschappij en hen toelaat een eigen mening te ontwikkelen. Juist door het anders-zijn wordt een dialoog mogelijk.

Een verscherpt particularisme van de leerlingen kan evenwel van die aard zijn dat dit de neutraliteit van de ganse instelling belemmert en één van de opdrachten van de school in gevaar brengt namelijk van het verzamelen van alle leerlingen en bij te dragen tot de opbouw van een staatsburgerschap die de verschillen verenigt zonder ze tegenover elkaar te plaatsen. Een inrichtende macht van een school kan zijn instellingen niet laten omvormen tot een gesloten strijdperk voor proselitisme, evenzeer als dat de leerling-burgers een bescherming verdienen aangepast aan hun kwetsbaarheid. Het is in deze zin dat de opvoeders, de directies en de inrichtende machten een begrenzing moeten vaststellen voor het dragen van persoonlijke levensbeschouwelijke symbolen.

De vrijzinnige beweging pleit voor de vrijheid van meningsuiting en het recht op verschil. Maar ze eist eveneens de neutraliteit van de openbare instellingen. De afschaffing van de aanroeping van god in de gerechtelijke eed (“zo helpe mij god”) en de kruisbeelden in de rechtbanken, bekomen na een intense strijd, en het streven naar de wijziging van het protocol (waar de kardinaal niet langer zijn eerste plaats zou moeten hebben), vormen de illustratie van deze noodzakelijkheid.

Integratie

Integratie moet niet betekenen dat men zijn wortels ontkent. Het gaat niet om het uitwissen van de verschillen maar om het respecteren ervan. Het is de weigering van het in zichzelf gekeerd zijn. Het is de openheid. Het is de vermenging van culturen. In ons land worden we geconfronteerd met een toenemende culturele diversiteit. Het hanteren van een multicultureel model van de samenleving is een eerste stap maar biedt geen voldoende oplossing, want op deze manier kan men culturele eilandjes creëren die naast elkaar op zichzelf bestaan. De overheid moet een intercultureel model van de samenleving hanteren waar er interactie is tussen de verschillende culturen en de gemaakte afspraken voor alle burgers gelden. De overheid dient de mensen te leren omgaan met de culturele en religieuze verschillen. Wie in Europa komt wonen dient de fundamentele basiswaarden van de Verlichting te respecteren, met name vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

Men dient een evenwicht te zoeken, om iedereen toe te laten zijn overtuiging te uiten en te vermijden dat deze uitdrukking zelf een belemmering zou betekenen voor de vrijheid van de ander. Immers elk recht en elke vrijheid die los gezien worden van de andere rechten en vrijheden kunnen leiden tot de vernietiging van hun eigen principes.

De vrijzinnige gemeenschap pleit voor een politiek van integratie en de uitdieping van het gemengd karakter van de samenleving. De vrijzinnige gemeenschap is geen voorstander van het verbod op school van de hoofddoek of andere symbolen via een autoritaire weg. Ze verzet zich er echter tegen dat mensen met autoriteit het dragen van bepaalde symbolen zouden opleggen aan minderjarigen.

De vrijheid moet de overhand hebben op het verbod, voor zover dat op school deze tekens geen instrument van proselitisme vormen, of een instrument van discriminatie of het verwerpen van de pluraliteit van de maatschappij, de gelijkheid van de geslachten en de rechten en vrijheden die toegekend werden aan het geheel van de burgers en die hun gemeenschappelijk patrimonium vormen.

Dialoog

Als vrijzinnig humanisten streven we naar een pluralistische maatschappij waar mensen van diverse levensbeschouwelijk en godsdienstige opinies kunnen samenleven met respect voor de eigenheid van elkeen. We pleiten dan ook voor een interlevensbeschouwelijke en interculturele dialoog. De openbare diensten dienen deze dialoog te ondersteunen en te garanderen bij hun eigen werking. Het na te streven doel is een werkelijk pluralistische interculturele maatschappij die steunt op de fundamentele waarden van de mensenrechten, onze democratische wetgeving en de waarden van de Verlichting.
Ook dient gewerkt te worden aan de achterstelling op sociaal-maatschappelijk vlak van de migrantenpopulatie. Voor de overheid ligt hier een belangrijke taak om als neutrale actor op te treden als voortrekker binnen zijn eigen diensten o.a. als mogelijke werkgever voor migranten en als stimulator naar andere organisaties toe. De zorg voor kansarmoedebestrijding, een goed onderwijs voor iedereen, het bieden van kansen tot zelfontplooiing van alle burgers, ongeacht hun afkomst, religie of politieke overtuiging dragen bij tot een betere samenleving waar het goed toeven is voor iedereen. Dergelijke samenleving creëert men niet door het instellen van verboden maar door het creëren van gelijke kansen voor allen. Zoniet dreigt bijvoorbeeld de ganse discussie rond de hoofddoek te verzanden in een electoraal opbod, wat in de kaart speelt van extreem-rechts.

Prof. dr. Michel Magits
Voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen
Brand Whitlocklaan 50
1200 Sint-Lambrechts-Woluwe

tel.: 02 / 735.81.92
fax: 02 / 735.81.66
e-mail: cmd.federaal@uvv.be

Bookmark and Share

 

 

Vragen?

Wij beantwoorden met plezier al uw vragen