De katholieke afwijzing van netoverschrijdende samenwerking tussen universiteiten en hogescholen
In het verlengde van de Bolognaverklaring wordt het hoger onderwijs in Vlaanderen in ijltempo hertekend. Eén aspect van die hertekening is het oprichten van vijf “bestuurlijke associaties” van universiteiten en hogescholen rond vijf Vlaamse universiteiten, nl. de Rijksuniversiteit Gent, de Universiteit Antwerpen, de Katholieke Universiteit Leuven, de Vrije Universiteit Brussel en de Transnationale Universiteit Limburg.
Het streven naar associaties valt niet plotseling uit de lucht. De uitvoering ervan is evenwel een gemiste kans en heeft als resultaat een verhoogde slagkracht voor vier associaties, terwijl één bestuurlijke associatie weinig levensvatbaar zal zijn.
Het hogeschooldecreet dwong de vele kleine, vooral katholieke instellingen tot een fusie en bepaalde o.m. dat de personeelsleden van de hogescholen voortaan aan wetenschappelijk onderzoek moesten doen, net zoals hun collegae van de universiteiten.
De organisatie van het wetenschappelijk onderzoek bleef evenwel haast uitsluitend verankerd aan de universiteiten, zodat de hogescholen, die wetenschappelijke projecten wensten te starten, in feite verplicht werden samen te werken met een universiteit. Een “bestuurlijke associatie” officialiseert als het ware deze werkwijze.
De associaties liggen ook om andere redenen voor de hand. Sommige hogescholen reiken diploma’s uit, die in naam en inhoud moeilijk te onderscheiden zijn van die van de universiteiten (bv. handelsingenieurs). Andere hogeschooldiploma’s leunen aan bij bepaalde universitaire studies in die mate dat er “bruggen” bestaan om van een hogeschoolopleiding naar een universitair diploma te stappen via verkorte studies (bv. industrieel-burgerlijk ingenieur). Nog andere hogeschoolopleidingen leiden tot een diploma van licentiaat waarvoor geen universitair equivalent aanwezig is (vertaler-tolk). Kortom, het wordt steeds moeilijker, althans voor niet-ingewijden, om de diploma’s van hogeschool- en universitaire opleidingen te onderscheiden.
Vooral in sommige landen van de Europese Unie, waar een dergelijke binaire structuur niet bestaat, is dit onderscheid moeilijk te doorgronden.
Om die reden kunnen we gerust voorspellen dat de geplande associaties op korte of middellange termijn zullen evolueren naar een universiteit, waarin de binaire structuur van ons huidig onderwijs zal verdwijnen. Het aantal instellingen, die dan hoger onderwijs aanbieden, zou op die wijze tot redelijke porties herleid worden.
Met het oog op die toekomstige ontwikkeling zouden de “bestuurlijke associaties” het best opgebouwd worden op basis van de bestaande universiteiten en hun decretaal bepaalde geografische werking. De vijf Vlaamse provincies en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zouden daardoor min of meer één universiteit tellen. Een dergelijk logisch voorstel, dat bovendien het universiteitsdecreet van 1991, opgesteld onder de katholieke minister van Onderwijs Coens, zou toepassen, doorkruist evenwel de “ideologische” opstelling van de katholieke universiteiten en hogescholen.
In theorie zouden de Oost-Vlaamse hogescholen, ook katholieke, kunnen aansluiten bij de “gemeenschaps” Universiteit Gent waar professoren van verschillende ideologische strekkingen die ons land rijk is, doceren. In Antwerpen werken de katholieke UFSIA, het vroegere Rijksuniversitair Centrum en de pluralistische UIA samen in de Universiteit Antwerpen, die de Antwerpse hogescholen kan opvangen. Limburg heeft via het samenwerkingsverband met Maastricht de Transnationale Universiteit Limburg, waarbij de Limburgse hogescholen kunnen aansluiten. De Katholieke Universiteit Leuven zou niet alleen in Vlaams-Brabant, maar ook via de KULAK in West-Vlaanderen als de motor van een “bestuurlijke associatie” kunnen fungeren.
Tenslotte zou in het Brussels Hoofstedelijk Gewest rond de Vrije Universiteit Brussel een “bestuurlijke associatie” kunnen opgebouwd worden, waarbinnen de kandidatuursinstelling KUB en de hogescholen een plaats zouden vinden. De decreetgever zou binnen elke “bestuurlijke associatie” waarborgen kunnen bepalen, zodat iedere ideologische eigenheid beschermd zou blijven, waarbij het Antwerps samenlevingsmodel als voorbeeld kan gelden.
Een dergelijk logisch voorstel doorkruist evenwel de “ideologische” opstelling van de meeste katholieke universiteiten en hogescholen.
De plannen van de regering bestonden nog maar in potloodversie, toen de KUL en de ‘Guimardstraat’ alle katholieke hogescholen contacteerden en de oprichting van één grote katholieke associatie voorstelde.
De geografische beperking, hoewel in het universiteitsdecreet van 1991 ingeschreven, werd verworpen op grond van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs.
Rector Oosterlinck bevestigde dit duidelijk in een interview (DS 28 mei 2001).
De vrijzinnige gemeenschap steunt het streven naar netoverschrijdende initiatieven, waarbij uiteraard voldoende waarborgen voor iedere ideologisch geïnspireerde instelling moeten worden voorzien. Voorstellen, die onder het mom van de vrijheid van onderwijs geformuleerd worden, maar tegelijkertijd de dadingskracht van de Vrije Universiteit Brussel aantasten, leiden onvermijdelijk tot de oprichting van een kleine, om financiën snakkende associatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dergelijk rampscenario moet absoluut vermeden worden, het zou niet alleen een aanfluiting van moeizaam opgebouwde evenwichten zijn maar tevens een regelrechte aanslag op de groeikansen van de Vrije Universiteit Brussel.
Prof. Dr. Michel Magits
Voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen