De VN-Mensenrechtenraad: van de regen in de drop
Zelfs zonder zon lijkt de komkommertijd volop in zwang. De media worden momenteel zowat volledig overheerst door onheilsberichten over de dupes van de wielerdopering en het haperende falen van de formatieronde. Brood en spelen voor de Belgen die de vakantieknop hebben omgedraaid en automatische piloot voor zomerse redacties. Het is echter jammer dat er hierdoor ander nieuws langs de zijlijn dreigt te verdwijnen, zeker wanneer dergelijk nieuws meer aandacht verdient dan het momenteel krijgt. Niet dat we welverdiende vakanties wensen te vergallen, maar misschien dat dit het ideale moment kan zijn om een aantal zwaardere discussies op gang te trekken of specifieke pijnpunten onder de aandacht te brengen?
Zo zal het velen waarschijnlijk ontgaan zijn, maar de nieuwe Mensenrechtenraad van de VN viert deze dagen zijn éénjarig bestaan. Waar dit normaal gezien een reden voor feest had kunnen (en moeten) zijn, lijkt de slinger echter de andere kant uit te slaan. Ondanks de hoop van de voormalige secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, dat de nieuwe Raad het pad zou effenen voor de installatie van mensenrechten als een derde pijler in de VN, naast veiligheid en ontwikkeling, lijkt het omgekeerde eerder te gebeuren. Op 20 juni moest zijn opvolger, secretaris-generaal Ban Ki-Moon, immers tot zijn ongenoegen vaststellen dat de Raad in zijn eerste jaar de hoge verwachtingen niet kon inlossen. Deze kritiek werd ook meermaals bijgetreden door de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Louise Arbour. Het blok van islamitische landen in de Raad reageerde meteen scherp en sprak van een 'disconnect' tussen de nieuwe secretaris-generaal en de piepjonge Raad.
De oorzaken voor de gebrekkige werking van de nieuwe Raad zijn voornamelijk te zoeken in politieke manoeuvres van enkele machtsblokken die ontstaan zijn na de initiële samenstelling van de Raad. Een gebrekkige consensus over de universaliteit van mensenrechten, gekoppeld aan politiek verschillende visies over mensenrechten tussen de 'westerse' landen hebben tot nu toe de ruimte vrijgelaten voor het 'islamitische' blok (verenigd in de OIC, de Organization of the Islamic Conference, momenteel geleid door Pakistan met een vertegenwoordiging van 36% van de zetels) en het 'niet-gebonden' blok (de NAM, Non-Alligned Movement, momenteel geleid door Cuba en met een vertegenwoordiging van 57% van de stemmen) om de werking van de Raad naar hun hand te zetten. Van de in totaal 47 vertegenwoordigde landen rekent men slechts 53% als democratisch (volgens de standaarden van Freedom House). 19% wordt zelfs beschouwd als 'Not Free'. Notoire mensenrechtenschenders zoals China, Cuba, Rusland en Saudi-Arabië zijn zelf vertegenwoordigd en slagen er telkens weer in, al dan niet met de steun van hun respectieve blokken, de werkzaamheden van de Raad naar hun hand te zetten door onder meer systematisch de onderzoeken naar schendingen in hun grondgebied te blokkeren. Dit alles ondanks het feit dat het de bedoeling was landen te verkiezen om te zetelen met een goede geschiedenis op vlak van mensenrechten.
Een goed voorbeeld van hoe dit zich vertaald in de praktijk is de manier waarop men met twee maten en gewichten specifieke situaties onder de loep neemt. Zo focuste men zich in de Raad tot op heden bijna uitsluitend op het onderzoek van mensenrechtenschendingen door Israël in de bezette Palestijnse gebieden (zonder de mensenrechtenschendingen van andere groeperingen in hetzelfde gebied ook te behandelen). Op hetzelfde moment worden de voortdurende en enorme schendingen in Darfoer amper behandeld en hebben deze tijdens het afgelopen jaar aanleiding gegeven tot slechts drie niet-veroordelende resoluties voor Sudan (tegenover negen (!) veroordelingen voor Israël). Soedan kreeg daarenboven ook nog eens een klopje op de schouder voor zijn goede medewerking tijdens het onderzoek, wat in strak contrast staat met de werkelijkheid.
Verder heeft de Raad zich tot nu toe voornamelijk bezig gehouden met het opstellen van resoluties die (voornamelijk islamitische) godsdienstlaster dienen te beperken, een 'code of conduct' op te stellen voor mensenrechtenwaarnemers die gericht is op het beperken van hun werkzaamheden en onrechtstreekse veroordelingen van het Amerikaanse handelsembargo tegen Cuba. De waarnemers bij Cuba en Belarus zijn ondertussen teruggeroepen, tot ongenoegen van meerdere ngo's en noodzakelijke onderzoeken naar mensenrechtenschendingen in Afghanistan, Colombia, Irak en Sri Lanka zijn voorlopig uitgesteld.
Het is jammer dat de Raad een dergelijke start kent van zijn werkzaamheden. Van de hoge verwachtingen die hij creëerde en het voorbarige lof dat hem werd toegezwaaid blijft er momenteel niet veel meer over. Dat is een uiterst spijtige zaak. En eentje die meer aandacht verdient dan dat ze momenteel krijgt. Specialisten maken zich druk over het feit dat het beter zou zijn om meer mankracht en middelen te investeren in de Raad en niet, zoals Amerika onlangs heeft gedaan, de geldkraan dicht te draaien en er zich hoofdschuddend van af te keren. De Raad heeft net in zijn laatste zitting principieel de periodieke 'Universal Review' goedgekeurd, dat alle landen regelmatig aan een onderzoek naar hun respect voor de mensenrechten dient te onderwerpen. Enkele ngo's, in samenwerking met bezorgde landen, zijn er ondertussen ook in geslaagd Belarus op het nippertje uit de Raad te houden toen deze een zetel probeerde te bemachtigen (hoewel Egypte in dezelfde zitting wel verkozen raakte, ondanks de povere geschiedenis van het land op vlak van respect voor de mensenrechten). De Raad heeft volgens de meeste waarnemers theoretisch hoe dan ook nog steeds de mogelijkheid een grotere slagkracht uit te oefenen dan de Commissie die hij vervangt. We mogen het kind dus niet zomaar met het badwater weggooien.
Hiervoor is echter een mentaliteitswijziging nodig. Onze eigen regeringen dienen voluit te investeren in de Raad, niet alleen met middelen en personeel, maar ook politiek. En dat zullen ze enkel doen als de publieke opinie zulks vereist. En de publieke opinie, zoals u weet, rijdt mee in de slipstream van de pers. Misschien is het tijd om de voorpaginaverontwaardiging enigszins te verschuiven van epo, testosteron en bloedtransfusies naar andere en ons insziens belangrijkere zaken, alvorens we de vakantie afsluiten en terugkeren naar de orde van de dag? Misschien kunnen we deze periode gebruiken om ons te informeren en te bezinnen over welke plaats we willen geven aan een dergelijk belangrijk thema, zodat we binnen een jaar de tweede verjaardag van de Mensenrechtenraad ook écht kunnen vieren. Het zou alvast interessant leesvoer kunnen opleveren.
Sonja Eggerickx
voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen
Dit opiniestuk verscheen in Knack