Home Opinies en Nieuws Archief Opiniestukken Erkenning boeddhisme, wie is er in godsnaam tegen?

Erkenning boeddhisme, wie is er in godsnaam tegen?

Tot onze grote verbijstering vernamen we in de Tertio van 05 januari 2010 dat de vrijzinnigheid vraagtekens zou plaatsen bij de erkenning van het boeddhisme als officiële levensbeschouwing in ons land. Onder meer omdat, althans volgens de heer Kennes “het hippe boeddhisme […] wel eens zou kunnen uitgroeien tot een te duchten concurrent voor het vak zedenleer”. Dat lijkt ons wel bijzonder vreemd.

De vrijzinnigheid heeft juist altijd gepleit voor een grote gelijkheid in het levensbeschouwelijke landschap dat Vlaanderen rijk is. Elke levenbeschouwing die tegemoet komt aan de geldende voorwaarden voor erkenning, staat volgens ons volledig vrij een vraag voor dergelijke erkenning bij de bevoegde Minister in te dienen. En enkel die Minister dient, geheel in overeenstemming met het principe van scheiding van kerk en staat in alle onfhankelijkheid en neutraliteit, een oordeel over die aanvraag te vellen. Het zou wel heel erg zijn moesten andere levensbeschouwingen die beslissing in de ene of de andere richting kunnen beïnvloeden.

Overigens, dat de boeddhisten hun erkenning als niet-confessionele levenbeschouwing aanvragen binnen het kader van art. 181 §2, toont juist aan dat deze bepaling dient waartoe ze werd opgesteld, namelijk alle niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties (meervoud) de mogelijkheid geven erkend te worden. Dit wordt nog eens letterlijk beklemtoond in de tekst van de wet van 21 juni 2002, waar de Centrale Vrijzinnige Raad “wordt erkend als een organisatie die niet-confessionele morele diensten verleent.” (eigen cursivering).

Dat er bijkomende middelen nodig zullen zijn om de grondwettelijk gegarandeerde levensbeschouwelijke vakken in het openbare onderwijs te voorzien na dergelijke erkenning, dient niet in twijfel te worden getrokken. Wat we wel ten zeerste betwijfelen is dat we daar uit zouden moeten concluderen dat het boeddhisme geen erkenning verdient. Weeral, enkel de bevoegde instanties dienen zich over dit vraagstuk te buigen, de andere levensbeschouwingen moeten er niet van wakker liggen.

Als er al remmende factoren aanwezig zijn, zoals in het artikel gesuggereerd wordt, dan moeten ze zeker niet in onze hoek gezocht worden. Alle insinuaties in die richting zijn in het beste geval onjuist, in het slechtste geval - lasterlijk.

Sonja Eggerickx
Voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen

Dit opiniestuk verscheen in Tertio.

 

Bookmark and Share

Vragen?

Wij beantwoorden met plezier al uw vragen