Euthanasie in vrijzinnig perspectief
Palliatieve zorg dient volgens de meeste mensen een belangrijke rol te spelen in de laatste fasen van opvang en aanpak van patiënten met een ongeneeslijke aandoening. Voor deze patiënten is palliatieve zorg een recht.
Velen zijn daarenboven van mening dat palliatieve zorg niet voor alle patiënten volstaat als zij aan het einde van een lange lijdensweg gekomen zijn. Meer en meer is een grote groep binnen onze samenleving van oordeel dat dient tegemoet gekomen te worden aan het duidelijk, bewust, en soms vaak herhaald verzoek van een patiënt om euthanasie.
Deze uiterst delicate materie is zeer persoonsgebonden. Dit geldt zowel voor de lijdende patiënt, zijn familie en vrienden, als voor wie uit hoofde van zijn/haar beroep met een verzoek om euthanasie geconfronteerd wordt.
Niemand kan door zijn/haar omgeving onder druk gezet worden, laat staan verplicht worden, enige medewerking aan de toepassing van euthanasie te verlenen. Tegenstanders van het recht op euthanasie moeten volkomen vrij af kunnen zien van enige hulp bij medisch geleid levensverkortend handelen. Het is de eerbied voor de levensovertuiging van elkeen die deze houding gebiedt.
In onze pluralistische samenleving hebben de tegenstanders, moreel gesproken, geen groter gelijk, dan de voorstanders van het recht op euthanasie.
Indien deze laatsten, uit eerbied voor de patiënt, gehoor willen geven aan zijn/haar ultiem verzoek, dan is dit ethisch niet minder verantwoord dan niet op zulk verzoek in te willen gaan. De enen noch de anderen hebben het monopolie op de goede moraal. Respect voor andersdenkenden is een absolute vereiste, in de gehele samenleving, en zo ook in een ziekenhuis.
Ook binnen het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek bestond geen consensus. Dit bleek vrij snel niet alleen onmogelijk, maar ook niet wenselijk, omdat levensbeschouwelijke minderheden evenveel recht hebben op erkenning van en eerbied voor hun levensovertuiging als een eventuele meerderheid. Het Comité heeft derhalve voorstellen geformuleerd met betrekking tot de voorwaarden om eventueel tot euthanasie te kunnen overgaan.
Het is genoegzaam bekend dat een of andere vorm van levensbeëindiging courant toegepast wordt in vrijwel alle ziekenhuizen van het land. Door het ontbreken van enig wettelijk kader waarbinnen de modaliteiten ervan geregeld worden, blijft de implementering van levensverkortend handelen in duisternis gehuld en zal dit niet zelden geschieden buiten medeweten van de patiënt zelf.
In geval van euthanasie ligt dit anders. Het gaat hier overigens niet over een groot aantal patiënten, maar wel over de eerder zeldzame patiënt met uitzichtloos lijden die zelf om euthanasie verzoekt.
In zijn advies van 15 januari 2000 herinnert de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren eerst aan zijn in 1992 verbeterde versie van de Code van Geneeskundige Plichtenleer, waarin bepaald wordt dat een arts niet met opzet de dood van zijn patiënt mag veroorzaken (noch helpen bij zelfdoding), maar erkent hij vervolgens dat een arts in uitzonderlijke omstandigheden voor een conflict van waarden kan geplaatst worden (“niet met opzet doden” en “de nodige adequate middelen aanwenden om een patiënt waardig te laten sterven”) en dat in dergelijke omstandigheden de arts, in eer en geweten, en in samenspraak met de patiënt, een beslissing dient te nemen. Dit houdt dus een duidelijke nuancering in van het in 1992 ingenomen standpunt.
Overigens dient er volgens de Orde van Geneesheren geen onderscheid gemaakt te worden tussen een noodtoestand bij wilsbekwamen en bij wilsonbekwamen.
Hoewel deze houding van de Orde van Geneesheren op het eerste zicht een zekere voldoening lijkt te geven aan hen die om euthanasie verzoeken, hangt alles af van de interpretatie die de ene en de andere aan deze teksten geven. Wat door een arts als noodtoestand erkend wordt, zal door een andere misschien niet als een noodtoestand beschouwd worden.
Als vrijzinnigen hechten we ook groot belang aan het recht op autonomie van de patiënt en aan de plicht van de arts de patiënt zo correct en volledig mogelijk te informeren. Dit impliceert voor allen wellicht niet hetzelfde: niet alle patiënten wensen trouwens duidelijk op de hoogte gesteld te worden van diagnose en prognose, zodat de informatie naar hen toe dient aangepast te worden. In elk geval kan geen sprake zijn van euthanasie indien de patiënt er niet duidelijk zelf om vraagt.
In de discussie omtrent euthanasie kan onderscheid gemaakt worden tussen:
- principiële argumenten pro & contra het recht op euthanasie;
- criteria waaraan moet voldaan worden om desgevallend tot euthanasie over te gaan;
- mogelijke verschillen wat de praktische implementering betreft.
Als vrijzinnigen menen we dat een duidelijk verzoek tot euthanasie moet geëerbiedigd worden, zij het mits het nemen van alle nodige voorzorgen om misbruik en vergissingen te beletten.
Sommigen zijn terughoudend omdat ze vrezen dat niettegenstaande deze voorzorgen en maatregelen misbruik en vergissingen zullen mogelijk blijven.
Anderen zijn van oordeel dat niet kan ingegaan worden op een verzoek (ook niet op een herhaald verzoek) om euthanasie, omdat:
- euthanasie niet strookt met de ethiek en deontologie van de arts;
- euthanasie de grens overschrijdt die de arts zich moet stellen;
- er voldoende middelen voorhanden zijn om een patiënt van zijn lijden te verlossen zonder tot euthanasie over te gaan.
We menen dat de patiënt moet beschermd worden tegen de nog steeds voorkomende therapeutische verbetenheid. We menen dat het voor de patiënt die er om verzoekt een grote geruststelling kan zijn als hem/haar verzekerd wordt dat men bereid is op zijn/haar verzoek in te gaan ‘als het ogenblik gekomen is’. De patiënt zal dan vaak opteren voor ontslag naar huis voor zolang dat nog kan, een optie die wezenlijk kan bijdragen tot de levenskwaliteit naar het einde toe.
Indien een patiënt om euthanasie vraagt, moet dit verzoek ernstig genomen worden? Uit een gesprek moet ondermeer duidelijk blijken dat het verzoek om euthanasie wel degelijk van de betrokkene zelf uitgaat. Het is daarenboven vanzelfsprekend dat over de juistheid van diagnose en prognose geen twijfel mag bestaan.
Tevens dient men er zich van te vergewissen dat de patiënt over de eventueel nog bestaande behandelingsmogelijkheden, waaronder palliatieve zorg, ingelicht werd.
Liefst wordt het verzoek van de patiënt ook met het behandelend team vooraf besproken en is het meestal wenselijk ook met de naaste verwanten de mogelijkheid van euthanasie te bespreken. Hierbij zouden legale argumenten de keuze niet mogen meebepalen, zoals thans nog het geval is. Als na een grondige medische analyse de artsen (en het verzorgend team) van oordeel zijn dat verdere behandeling geen zin meer heeft, dan is het verlengen van het leven om zuiver legale redenen niet te rechtvaardigen.
Wat de eventuele implementering betreft kan onderscheid gemaakt worden tussen twee handelswijzen: voor een aantal artsen kan het toedienen van een relatief snelwerkend farmacon (of combinatie van twee of meer) wel, evenals het tegemoetkomen aan de wensen van patiënt en familie wat tijdstip en omstandigheden van afscheid nemen betreft; voor anderen moet veeleer geopteerd worden voor een deconnecterende cocktail waarbij de patiënt uit zijn/haar lijden verlost wordt en geleidelijk het bewustzijn verliest, om tenslotte, meestal na enkele dagen, te overlijden. Ook wat de keuze betreft moet zoveel mogelijk rekening gehouden worden met de ultieme wens van de patiënt.
Reflecties, ten persoonlijke titel, van 3 artsen, verbonden aan het AZ-VUB:
prof. dr. Peter Deconinck, voorzitter Reflectiegroep Biomedische Ethiek,
prof. dr. Wim Distelmans, verantwoordelijke Palliatieve Zorg,
prof. dr. Ben Van Camp, decaan Faculteit Geneeskunde en Farmacie VUB,
bijgetreden door de jurist prof. dr. Michel Magits, voorzitter van de Unie Vrijzinnige Verenigingen.