Home Opinies en Nieuws Archief Opiniestukken Herstellingswerk aan de fundering van de zuilen?

Herstellingswerk aan de fundering van de zuilen?

Op het kernkabinet van donderdag 12 maart werd onder impuls van de door verkiezingsresultaten gesterkte CD&V beslist om het bestaande kader van katholieke parochieassistenten met meer dan 10% op te trekken van 301 eenheden naar 341. In één zwaai worden hiermee de aanbevelingen van wetenschappers, de verzuchtingen van andere levensbeschouwingen en het jarenlange voorbereidende werk van de vorige minister van Justitie van de tafel geveegd. Wie dacht dat we de scheiding van Kerk en Staat en de secularisering van het bestuur in België mooi gebetonneerd hadden, komt bedrogen uit. Blijkbaar moet dit principe enkel verdedigd worden wanneer het gaat om hoofddoeken achter loketten. Een zeer pijnlijke constatering voor mensen die gelijkheid, intellectuele eerlijkheid en de principes van interculturele dialoog en wederzijds interlevensbeschouwelijk respect hoog in het vaandel voeren.

In 2006 richtte de toenmalige minister van Justitie, Laurette Onkelinx, via ministerieel besluit een Commissie van wijzen op die de problematiek van het statuut van de bedienaren van de erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad moest onderzoeken en nagaan of er ongelijkheden bestaan. De Commissie overhandigde haar lijvig rapport in november 2006 aan de minister. De meest opvallende conclusie uit het rapport was dat de huidige verdeling van beschikbare middelen in het algemeen, en de samenstelling van het kader in het bijzonder, niet kan worden gerechtvaardigd wegens de diversiteit en de incoherentie van de onderliggende kwantitatieve verhoudingen (Verslag van de Commissie van wijzen, 115). Deze verdeling strookt niet met de werkelijke representativiteit van de respectievelijke religies en levensbeschouwingen, inzonderheid de katholieke eredienst. De Commissie beveelt dan ook verder in haar rapport onomwonden aan in een overgangsperiode de huidige situatie te bevriezen in afwachting van betrouwbare gegevens over de aanhang en de representativiteit van de diverse religies en levenbeschouwingen in ons land.

Tot daar de aanbevelingen van de experten voor wat betreft het materiële aspect. Neem daarbij dat de Commissie voor interculturele dialoog reeds in 2005 tot het besluit kwam dat de positieve religieuze neutraliteit die de staat inneemt ten aanzien van de verschillende erkende erediensten en levensbeschouwingen een proportionele verdeling van de middelen inhoudt (Eindverslag en getuigenissen van de Commissie voor interculturele dialoog, Brussel, 2005, 83) en de conclusie is snel gemaakt: wat men nu doet is een historisch duidelijk bevoordeelde eredienst nog meer favoriseren, met als gevolg dat men haar status als de facto staatskerk een nieuw elan geeft, ten nadele van de eerder aangehaalde mooie principes (die daar dan blijkbaar maar aan ondergeschikt moeten zijn).

Op dit vlak spreken de cijfers trouwens voor zich. Het theoretische kader van de bedienaren van de katholieke eredienst wordt nog steeds bepaald op basis van een reglementering die stamt uit de napoleontische tijd, waarbij het bevolkingscijfer in zijn geheel als referentie wordt genomen, los van welke religie of levensbeschouwing de mensen ter plekke aanhangen. Door de secularisering van onze maatschappij in de geschiedenis is het aantal katholieken evenwel sterk geslonken in vergelijking met toen. Op basis van recent wetenschappelijk onderzoek schommelt de aanhang voor de katholieke eredienst in België momenteel tussen de 50% en de 65%. Bij de betoelaging van de andere levensbeschouwingen geldt dan weer de reële aanhang, weliswaar door henzelf opgegeven. Voor de toekenning van de ambten gelden voor alle religies dan nog eens verschillende aantallen, die zonder transparantie noch inzicht in de motieven en argumenten door de administratie worden bepaald. Zo komt het dat het theoretisch kader voor de katholieke eredienst bepaald is op 6.923 (in 2002), de protestantse, de orthodoxe, de joodse en de anglicaanse respectievelijk op 119, 52, 41 en 13 (225 in totaal) bedienaren en dat van de vrijzinnigen op 354 afgevaardigden. Eenzelfde wanverhouding in de cijfers is trouwens ook terug te vinden in de sector van de categoriale religieuze en morele dienstverlening, voornamelijk in de welzijnssector. Academisch klinkt dat dan als volgt: “Gevraagde budgetwijzigingen van de verschillende erediensten worden toegekend op basis van een prioriteitenafweging. Toetsbare criteria lijken daarbij eerder van ondergeschikte betekenis” (Overbeeke, Antwerpen, 2005).

Dat er nu dus, ondanks de aanbevolen bevriezing voor de overheid enerzijds en de dalende aanhang van een reeds zwaar bevoordeelde religie anderzijds, beslist wordt om het kader van de parochieassistenten verder op te trekken zonder te raken aan het kader van de katholieke bedienaren is oneerlijk en een regelrechte aanfluiting van de grondwettelijk verankerde principes van gelijkheid en non-discriminatie. Blijkbaar is de drang naar electorale zieltjeswinnerij voor één bepaalde partij zo groot dat ze vanuit een niet stabiele interimregering een bepaald segment van haar achterban over de wang wil aaien, de adviezen van experten in de wind te slaan en het werk van hun voorgangers van het bord te vegen. Een globale, faire en gelijke regeling voor iedereen zit er nog niet meteen in.

Welkom in het verleden.

Sonja Eggerickx
voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen

Bookmark and Share

PrintPrint milieuvriendelijk

 

Vragen?

Wij beantwoorden met plezier al uw vragen