Kerk en staat
Kurt Martens heeft uiteraard gelijk als hij in tertio nr. 363 schrijft dat de grondwet de individuele godsdienstvrijheid beschermt en de overheid verbiedt zich te bemoeien met de organisatie van de eredienst.
We hebben als vrijzinnige altijd gepleit voor het recht van de gelovige om voor zijn overtuiging op te komen, want de vrijheid van mening is immers evenzeer grondwettelijke gewaarborgd. We verzetten ons evenwel tegen de voortdurende pogingen van de geestelijke leiders, het weze bisschoppen of imams, om bepaalde ethische principes op basis van een goddelijke openbaring op te leggen.
De overheid moet bovendien neutraal blijven en bijgevolg geen enkele eredienst of levenbeschouwing bevoorrechten.
Ongeveer alle auteurs zijn het nu over een dat het sociale nut de financiering van een levensbeschouwing rechtvaardigt.
Historische argumenten verklaren weliswaar de vroegere beslissing, maar kan de huidige regelgeving niet beïnvloeden.
Bovendien kunnen we ons bij dergelijke historische verantwoording zelfs vragen stellen. We maken daarbij de abstractie van de fundamentele vraag hoe de kerk(en) hun enorme rijkdom hebben opgebouwd en beperken ons tot de naasting van de kerkelijke goederen.
De Franse revolutionairen nationaliseerden bij decreet van 2 november 1789 de kerkelijke goederen en dat op voorstel van de bisschop van Autun. In ruil zou de staat in het onderhoud van de priesters voorzien.
In onze gewesten werden de kerkelijke goederen slechts verbeurd verklaard bij besluit van 26 oktober 1797 en verkocht krachtens het besluit van 7 maart 1798. Na zijn staatsgreep heeft Napoleon de kerken bij besluit van 28 december 1799 opnieuw opengesteld en gratis ter beschikking van de priesters gesteld.
In de loop van de volgende jaren werden sommige goederen, zowel roerende als onroerende, alsook bepaalde renten en stichtingen aan de kerk teruggeven. We vermelden in dat verband de decreten van juli 1803, oktober 1804, en 30 december 1809.
De gevolgen van de verkoop van kerkelijke goederen zijn door de toepassing van de verbeurdverklaringen in onze gewesten derhalve beperkt. De parochiale kerken en kathedralen zijn immers grotendeels ontsnapt aan de gedwongen verkoop. Bovendien is het onderhoud nadien ten laste van de overheid gebleven en heeft deze overheid, vooral in de negentiende eeuw talrijke maatregelen getroffen, waardoor de kerk in staat was opnieuw een groot bezit op te bouwen.
De huidige verdeling van de beschikbare middelen voor de erkende erediensten te laten steunen op de naasting van de kerkelijke goederen is niet alleen achterhaald, maar historisch in feite alleen maar van toepassing op de Franse situatie, die trouwens sinds 1905 volledig veranderd is.
Michel Magits, VUB, Brussel
Dit opiniestuk verscheen in Tertio