Kerkelijk recht

In zijn bijdrage in Tertio van 17 november houdt kerkjurist Kurt Martens vanuit het grondwettelijk recht op godsdienstvrijheid een pleidooi voor het bestaan van een specifiek kerkelijk rechtssysteem. Volgens hem is de godsdienstvrijheid gericht op het beschermen van religies en geloofsovertuigingen tegen staatsinmenging en niet omgekeerd. Hij wijst er op dat het recht op godsdienstvrijheid niet mag en kan gebruikt worden om ongestraft misdrijven te plegen. Misdrijven kunnen in het traditionele strafrecht en in het kerkelijk recht strafbaar zijn waardoor de dader twee keer kan worden gestraft.
Ik wens bij dit artikel echter enkele opmerkingen te formuleren. Vooreerst mag de heer Martens niet vergeten dat godsdienstvrijheid slechts één van de fundamentele vrijheden is en dat deze andere vrijheden niet in het gedrang mag brengen. Er moet steeds een evenwicht nagestreefd worden.
Bovendien primeert in een democratische rechtsstaat het burgerlijke (seculiere) recht op het kerkelijk recht. Dit impliceert dat elk misdrijf voor berechting dient voorgelegd te worden aan ons strafrechtelijk systeem, in casu het openbaar ministerie en de strafrechter. Het strafrecht is immers van openbare orde terwijl het kerkelijk recht kan beschouwd worden als een soort tuchtrecht.
In de redenering van de heer Martens kan in naam van de godsdienstvrijheid elke godsdienstige groep in België een eigen godsdienstig recht invoeren. Nooit kan dit religieuze rechtssysteem echter het maatschappelijke vervangen of overheersen. Overigens claimt de vrijzinnig-humanistische gemeenschap geen eigen rechtssysteem.

Sonja Eggerickx
voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen

Deze lezersbrief werd gepubliceerd in Tertio op 24 november 2010

Vragen?

Wij beantwoorden met plezier al uw vragen