Home Opinies en Nieuws Archief Opiniestukken Levensbeschouwelijk onderwijs, een verworven recht

Levensbeschouwelijk onderwijs, een verworven recht

Met het voorstel van de minister-president van de Franse Gemeenschap, Hervé Hasquin, om het levensbeschouwelijk onderwijs in de twee laatste jaren van het secundair te vervangen door filosofieonderwijs en/of een vergelijkende studie van de diverse wereldgodsdiensten, heeft hij een gevoelig onderwerp aangeraakt.

Vooreerst dient er opgemerkt te worden dat de inrichting van het onderwijs in Wallonië niet langer dezelfde is dan in Vlaanderen. Zeker wat betreft de cursus niet-confessionele zedenleer zijn er een aantal opmerkelijke verschillen. Het Vlaamse programma voorziet niet alleen reeds in de twee laatste jaren een inleiding tot de filosofie, maar ook het programma, de lerarenopleiding of de vrijstellingsproblematiek betreffende het vak is anders.

Bovendien zijn er grondwettelijke bezwaren die dergelijke voorstellen op korte termijn onmogelijk maken. Toch is een duidelijke stellingname vanuit de vrijzinnigheid noodzakelijk. Het levensbeschouwelijk onderwijs vertrekt vanuit een bepaald project, voor de leergangen niet-confessionele zedenleer is dat een vrijzinnige visie waarbij een aantal waarden van fundamenteel belang zijn. Dit opvoedingsproject waarbij vertrokken wordt vanuit verdraagzaamheid, solidariteit, openheid en een kritische geest als waardekader en met als doelstelling kinderen tot zelfstandig denkende mensen op te voeden kan niet vervangen worden door een louter kennisvak, dat filosofie is.

Mocht filosofie en/of een inleiding tot de godsdiensten een waardig alternatief zijn voor het levensbeschouwelijk onderwijs, zou er uiteraard minder weerstand zijn.

Als vrijzinnige ben ik namelijk voorstander van een actief engagement, wat niet hetzelfde is als een louter wetenschappelijke benadering van de levensbeschouwelijke problemen. In de cursus niet-confessionele zedenleer vertrekt de leerkracht vanuit een vrijzinnig-humanistische mensvisie waarbij de menselijke eindigheid, de wens tot inzicht, de gelijkwaardigheid en de rechten van de mens als uitgangspunt gehanteerd worden. Daarmee overstijgt hij/zij duidelijk de loutere gegevens en feiten. De leerkracht stelt daarbij namelijk de vraag wat we met die gegevens en feiten in ons leven gaan doen. Hoe we door belang te hechten aan een waarde als solidariteit tot de opbouw van een moraal kunnen komen. De zelfstandigheid van mensen, hun groeiende autonomie is daarbij van groot belang.

Wij beklemtonen die zelfstandigheid en de zelfbeschikking, een visie die opgebouwd wordt vanuit ervaring en gezond verstand, samengevat als vrij onderzoek.

Gelovigen hebben duidelijk een ander perspectief. Zij beklemtonen dat er een andere instantie is, een goddelijke instantie, die meer vastheid geeft aan de moraal en die meer richting geeft aan het leven. We leven in een pluralistische maatschappij, waarbij aan alle levensbeschouwingen ruimte gegeven wordt. Het vrijzinnig humanisme is één van deze levensbeschouwingen en eist voor de vrijzinnige gemeenschap uiteraard dit pedagogisch project op.

De benadering van deze problematiek die Pol Van Den Driessche in ‘Allen naar de godsdienstles’(DM 10/06/00) gaf , was iets te karikaturaal om ernstig genomen te worden. Dat een behoorlijke kennis van het christendom onontbeerlijk zou zijn om onze huidige samenleving te begrijpen bevat allicht enige grond van waarheid. Alleen kunnen we daar een waslijst van andere noodzakelijke kennis aan toevoegen die al even onontbeerlijk is om onze samenleving te begrijpen. Neen, de ‘radicaal’ vrijzinnig opgevoede is niet intellectueel gehandicapt en zal evengoed via een degelijk geschiedenisonderwijs best wel in staat zijn de middeleeuwse geschiedenis te begrijpen, ja zelfs het begrip ‘Heilige Drievuldigheid’ te vatten.

Wat fout was met deze rubriek was het doorzichtige proselitisme. Onder het mom van de ironie worden de christelijke waarden ‘opgehemeld’ en worden de twijfelaars opgeroepen om hun kindjes te laten dopen en godsdienstles te laten volgen. Daar wordt het cynisch, want ‘de hevigste ketters en de meest gedreven vrijzinnigen liepen doorgaans school in klassen met kruisbeelden aan de muur’. Want ja, dat mensen nadien feestelijk bedanken voor de christelijke leer is niet van belang. Alsof een kind dat uit het secundair onderwijs komt en 12 jaar wiskunde heeft gevolgd dan mag vergeten waar het in de wiskunde eigenlijk over gaat.

In deze rubriek heeft Pol Van Den Driessche niet alleen minachting getoond voor de vrijzinnigen en voor het gemeenschapsonderwijs, maar bovendien voor zijn lezers, die hij oproept om onderwijs te volgen in een leer ‘waar niet zelden een grote afgrond gaapt tussen de leer en de realisatie, tussen de mooie woorden en de onfraaie daden.’

Vanuit dergelijke benadering zou men beter voorstander zijn van filosofieonderwijs en/of vergelijkend godsdienstonderwijs, omdat men dan vanuit een ‘neutraal’ en wetenschappelijk uitgangspunt vertrekt.

Dit louter intellectueel beschouwen is voor de vrijzinnigen vandaag onvoldoende. Wij stellen ons daarom de vraag wat moraal betekent in iemands leven. In de lessen niet-confessionele zedenleer ligt de nadruk op het bezig zijn met moreel handelen en denken, het oplossen van morele problemen, het integreren van waarden. De feiten gebruiken we daarbij als uitgangspunt.

We besluiten. Filosofie is geen alternatief voor levensbeschouwelijk onderwijs, omdat - en we citeren prof. dr. J.P. Van Bendegem 

"filosofie als discipline een traditie heeft ontwikkeld doorheen de eeuwen waardoor een continuïteit met vroegere auteurs ontstaan is die automatisch voor gevolg heeft dat de aandacht voor die auteurs een essentieel onderdeel moet vormen voor een opleiding. Anders en korter gezegd, de intern-historische invalshoek neemt een zeer belangrijke plaats in."

In de lessen niet-confessionele zedenleer is de invalshoek een totaal andere. De alledaagse opvoedingsbeleving van kinderen en jongeren komt er aan bod. In de les moraal krijgen de leerlingen de kans een eigen mening te vormen, te verwoorden en te verdedigen. Zij leren er in een specifiek pedagogisch kader om te gaan met problemen en onderwerpen die op hun kennisniveau liggen. Wij verdedigen dan ook ten volle dat specifiek levensbeschouwelijk pedagogisch project.

Prof. Dr. Michel Magits
Voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen

Bookmark and Share

Vragen?

Wij beantwoorden met plezier al uw vragen