Over de noodzaak aan levensbeschouwelijke tolerantie
Niemand twijfelt nog aan het gevaar van religieus extremisme. De aanslag op de wtc-torens op 11 september moet immers ingeschreven worden op een lange lijst van op godsdienst gebaseerde misdaden.
In eigen land berichtten de media onlangs over de agressie van moslimjongeren op een hoge joodse gezagsdrager. Andere aanvallen van deze geëxciteerde jeugd op joodse mensen in ons land, vooral in Brussel, halen minder de pers. De media gaan ons inziens hier, om voor ons moeilijk te vatten redenen, vrij gemakkelijk aan voorbij.
Het antisemitisme, waarvan dergelijke agressie een uiting is, steekt weer de kop op. In Groot-Brittannië ontstond recent heel wat ophef rond moslimpredikanten die openlijk oproepen tot geweld tegen de joodse gemeenschap. Dit gebeurt via de verspreiding van cassettes die vol staan met beledigingen aan het adres van de joodse gemeenschap. De meest extreme videocassette, heet “Geen vrede met de joden”; daarin worden negentien redenen opgesomd waarom moslims niet in vrede kunnen leven met de joden. Er wordt zelfs expliciet geantwoord op de vraag of moslims joden in elkaar moeten slaan als zij ze op straat tegenkomen, het antwoord van de ‘geestelijke’ is dat men geen andere keuze heeft dan joden te haten. Op de vraag ‘Hoe vecht je tegen joden?’is het antwoord ‘Je vermoordt de joden’.
Naast de voor de hand liggende onaanvaardbaarheid van het bestaan van cassettes met dergelijke racistische haatboodschap, schuilt het gevaar evenzeer in de bagatellisering van dit nieuws, dat niet verder komt dan het niveau van een ‘fait divers’.
Er moet eerst en vooral ruchtbaarheid gegeven worden aan het bestaan van dergelijke extremistische tendensen, evenwel met de nadruk op de marginaliteit van het fenomeen binnen de moslimgemeenschap.
Het is door de gebeurtenissen van 11september duidelijk geworden dat het tot de strategie van het extremisme behoort zich voor te stellen als de spreekbuis van een gehele geloofsgemeenschap, hoewel slechts een zeer kleine groep vertegenwoordigd wordt. Wijzen op het isolement van dergelijke tendensen in de grote mohammedaanse samenleving is cruciaal.
Een tweede element in deze strategie van het extremisme is de politieke toestand in het midden oosten en de precaire toestand van het Palestijnse volk te reduceren tot een levensbeschouwelijke tegenstelling. Deze beproefde methode heeft wereldwijd reeds tot onnoemelijk menselijk leed geleid. We verwijzen terzake naar de recente Pakistaans-Indiase spanningen, vertaald in een strijd tussen Moslims en Hindoes, naar de oorlog in ex-Joegoslavië, waar de orthodoxe Serviërs vochten tegen de katholieke Kroaten en de Mohammedaanse Bosniërs en Kosovaren, naar de Ierse kwestie, waar een sociaal-economische en politieke tegenstelling vertaald wordt in een conflict tussen katholieken en protestanten. Dichter bij ons bestaan de oproepen van het Vlaams Blok tot haat tegen immigranten, gebaseerd op culturele en levensbeschouwelijke verschillen.
De intolerante uitspraken van de Nederlandse politicus- in spe Pim Fortuyn over de Islam als achterlijke cultuur, onmiddellijk toegejuicht door de extreem rechtse Filip Dewinter, getuigen enerzijds van racisme en anderzijds van weinig inzicht in de geschiedenis van het Westerse én Islamitische gedachtegoed. Vrijzinnigen verwerpen dergelijke onverdraagzame uitingen. Als vrijzinnigen hebben we een traditie van tolerantie en pogen we via op rede gebaseerde analyse deze verschillen te overbruggen en dit zonder belangrijke tegenstellingen te ontkennen en evenmin vanuit een beaat vooruitgangsgeloof, dat immers op een bijzonder pijnlijke wijze door de eigen Europese geschiedenis onderuit werd gehaald.
Dit weerhoudt ons echter geenszins om te blijven ijveren voor en op te roepen tot dialoog tussen de verschillende levensbeschouwingen en volkeren.
Daar waar het de taak is van de politiek om de schrijnende economische en sociale wantoestanden in de verschillende conflicthaarden van de wereld aan te pakken, behoort het tot de taak van de levensbeschouwingen het extremisme, als bron van menselijk leed, te veroordelen. Rassenhaat, of deze nu door Aziaten, Afrikanen, Europeanen, Arabieren, Joden of Amerikanen wordt gepredikt, ondermijnt iedere samenleving. Niet reageren of laten betijen getuigt van weinig historisch inzicht en brengt de publieke opinie in verwarring omtrent de omgang van de samenleving met dergelijk verwerpelijk ideeëngoed.
De vrijzinnige gemeenschap heeft reeds het initiatief genomen om in België tot een dialoog te komen tussen de verschillende levensbeschouwingen, met de bedoeling een signaal te geven van verstandhouding en wederzijds respect.
Via dergelijke acties wensen wij mogelijke escalaties van extremistische en fundamentalistische agressie duidelijk te ontzenuwen. Het is evident dat ook wij geen voor de hand liggende oplossingen hebben voor ieder maatschappelijk probleem dat zou kunnen voortvloeien uit culturele en levensbeschouwelijke verschillen. We kunnen evenwel via gezamenlijk overleg de voedingsbodem van onbegrip, waarbij tegenstellingen uitvergroot worden en alleen het eigen grote gelijk geldt, onbruikbaar maken voor hen die daarop hun boodschap van haat baseren.
Vrijzinnigen zijn wellicht, meer dan andere levensbeschouwingen, gewoon om met verschillen om te gaan, het is vanuit die traditie van verdraagzaamheid dat wij bijzonder waakzaam zijn voor iedere mogelijke aanzet tot rassenhaat.
Tolerantie betekent voor ons dan ook nooit het minimaliseren van door racisme ingegeven misdaden tot enkele marginale nieuwsfeiten onder de spreekwoordelijke rubriek van de ‘gebroken armen en benen’. Racistische feiten horen thuis bij de meest belangrijke nieuwsfeiten, zij zijn een gevaarlijke kanker die de samenleving in haar diepste wezen treft.
Prof. Dr. Michel Magits
Voorzitter UVV
Dit opiniestuk verschenen in De Morgen op 4 maart 2002