Religie en moraal

Het vuur tussen gelovigen en niet-gelovigen laait opnieuw op. Aanleiding is de tweede encycliek Spe Salvi - 'door de hoop zijn we gered' - van paus Benedictus XVI. In die tekst stelt de paus dat de mens God nodig heeft. Anders blijft hij zonder hoop, hoop op een rechtvaardige wereld. Die tekst was voor Johan Braeckman een aanleiding om aan te tonen dat moraliteit het best kan stellen zonder geloof. Maar tegelijkertijd nuanceert hij zijn stelling: “Religie kan die (morele) vermogens activeren, maar ze kan ze, net zoals bepaalde ideologieën en politieke opvattingen dat kunnen, ook afstompen en perverteren.” ('Moraliteit kan best zonder religie', De Standaard 15/12/2007)

Toch bleek die nuance een maat voor niets. Het kwaad was geschied en Luk Sanders gebruikte het tweede deel van de stelling om ook de vrijzinnigen nog maar eens te wijzen op de bitterharde historische realiteit: “Mao liet immers niet alleen 'honderd bloemen bloeien', hij heeft ook 80 miljoen mensen van kant gemaakt. En vadertje Stalin was milder, maar toch ook 46 miljoen doden…” ('Als religie in de hoek gedrongen wordt', De Standaard 18/12/2007)

Daarmee is de discussie tussen gelovigen en niet-gelovigen opnieuw gereduceerd tot een zoveelste heruitgave van een éénzijdige discussie: de ongelovige die de kruistochten aanvoert als bewijs voor de stelling dat moraliteit geen geloof nodig heeft en de ongelovige die Stalin en Mao inroept om de verderfelijkheid van het atheïsme aan te tonen. Poets wederom poets. Een zoveelste dooddoener van je welste. En niemand die de gelegenheid te baat neemt om de zaken in perspectief te plaatsen.

Natuurlijk hebben beide auteurs gelijk wanneer ze stellen dat zowel gelovigen als ongelovigen hun eigen doctrine soms hebben misbruikt ter uitroeiing van alles wat er niet mee in overeenstemming was. Dit is immers eigen aan een doctrinaire ingesteldheid die het licht niet gunt in de ogen van andersdenkenden en al gauw vervalt in een houding waarbij het doel alle middelen heiligt. Maar dergelijke doctrinaire ingesteldheid van enkelingen kan moeilijk aangewend worden om een gemeenschap een collectief schuldgevoel aan te wrijven. Verderfelijke figuren naar voor schuiven als spreekbuis van een ganse gemeenschap dicht hen niet alleen te veel en misplaatste eer toe, maar is bovendien weinig respectvol ten aanzien van leden van die gemeenschap die dergelijk kwaad met lede ogen aanzien.

Het weze duidelijk: dergelijke discussie brengt weinig zoden aan de dijk. Veel vruchtbaarder is het om misplaatste historische argumenten achterwege te laten en te focussen op hetgeen ons kan binden. Een ingesteldheid die levensbeschouwingen kan verplichten de wapens neer te leggen en deze verbale oorlog te staken.

In zijn opiniestuk schrijft Luk Sanders dat het woord 'vrijzinnig' in Vlaanderen vervreemd is van haar etymologie. En hij gaat verder: “Een vrijzinnige is vandaag iemand die in zijn denken nooit tot het besluit wil en mag komen dat God bestaat.” Ook hier hebt u gelijk, mijnheer Sanders, al is het opnieuw slechts ten dele. Want het vermoeden bestaat dat u bij het neerpennen van deze stelling een dogmatische vorm van vrijzinnigheid in het gedachten hebt. Een vorm die zeker niet door alle vrijzinnigen wordt gedeeld. Net zoals een rabiaat katholieke houding niet wordt gedeeld door alle gelovigen.

Ook uw stelling dat het bon ton zou zijn om op alles te schieten wat met religie te maken heeft, is slechts een halve waarheid en viseert slechts diegenen die schieten. Het argument heeft weinig vandoen met vrijzinnigen die dergelijk verbaal geweld afkeuren en in de luwte dromen van een ware pluralistische samenleving.

De discussie tussen gelovigen en niet-gelovigen over de vraag of moraal al dan niet zonder god mogelijk is, is op zich een interessante discussie, maar reductionistisch wanneer ze gevoerd wordt op deze manier. Dergelijke discussie gaat voorbij aan het gegeven dat gelovigen en ongelovigen met elkaar moeten samenleven. Of sommigen dit nu graag hebben of niet. En zolang de pot de ketel verwijt dat hij zwart ziet en de ketel de pot dat hij wit ziet, zullen we moeilijk kunnen onderkennen dat sommige zaken ook wel eens grijs kunnen zijn.

Sonja Eggerickx
voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen

Dit opiniestuk verscheen in De Standaard

Bookmark and Share

 

 

Vragen?

Wij beantwoorden met plezier al uw vragen