Home Opinies en Nieuws Archief Opiniestukken Recht tot antwoord: Samen naar een actief pluralisme?!?

Recht tot antwoord: Samen naar een actief pluralisme?!?

In zijn artikel ‘Te weinig katholieke aalmoezeniers’, verschenen in Tertio nr. 266 van 16 maart 2005, trekt Koenraad De Wolf ongenuanceerd van leer tegen de vrijzinnigheid in het algemeen en tegen de recente besluitvorming van minister Onkelinx (PS) m.b.t. het kader van aalmoezeniers, islamconsulenten en moreel consulenten in de penitentiaire instellingen in het bijzonder, een aantal politici in het kielzog van zijn discours meesleurend.

Halve waarheden, manifeste onjuistheden, uit de context gehaalde uitspraken en inderhaast vergeten feiten schetsen een beeld van inhalige vrijzinnigen hierin gesteund door vooringenomen politici, die via maatschappelijk getolereerde mechanismen als positieve discriminatie kaders van moreel consulenten creëren, los van enige behoefte en wars van elke notie van realiteit en objectiviteit.

De ideologische strijdbijl is inderdaad nog lang niet begraven. Als de vos de passie preekt...

De feiten op een rijtje: de vrijzinnigheid ijvert sedert ruim drie decennia voor de gelijkberechting van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschap t.a.v. de erkende erediensten in België. Zo ook in het domein van de morele bijstand aan gedetineerden, teneinde de zingevingsproblematiek vanuit de vrijzinnige waarden te benaderen wanneer die behoefte kenbaar wordt gemaakt. Sedert 1964 tot op vandaag wordt niet-confessionele morele bijstand aan gedetineerden verleend door daartoe door de minister van Justitie gemachtigde vrijwillige moreel consulenten. In een streven naar professionalisering van deze categoriale morele dienstverlening eind negentiger jaren werd aan de minister van Justitie gevraagd een kader van niet-confessionele moreel consulenten toe te kennen. De vraag was gelijklopend met deze van de erkende erediensten, waarvan enkel de katholieke beschikte over een aalmoezeniersdienst waarin ook één protestant was ondergebracht.

Toenmalig minister van Justitie Van Parys (CD&V) legde in februari 1999 een wetsontwerp neer, dat voor de erkende levensbeschouwingen een billijk kader voorzag. Voor de vrijzinnigheid betekende dit 13 fulltime eenheden en daarnaast bleef het benevolaat bestaan. Wegens regeringswissel werd het ontwerp niet tijdig besproken. Opvolger Verwilghen (VLD) maakte tabula rasa en hervatte de werkzaamheden om een einde te maken aan de discussie over de representativiteit van niet alleen de verschillende godsdiensten – zoals De Wolf stelt – maar ook van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschap. Een behoeftenbevraging diende als uitgangspunt.

De Centrale Vrijzinnige Raad verwierp meteen de enquête omdat deze niet alleen inhoudelijk en methodologisch gebrekkig was, maar terzelfdertijd ook arbitrair. Vertrekpunt was de achtergestelde positie van de niet-confessionele vertegenwoordiging zodat de bevraging a priori enkel een scheefgegroeide situatie bevestigde. Bovendien werd het resultaat van 1,6% ontkracht door het cijfermateriaal waarover de Stichting Morele Bijstand aan Gevangenen jaarlijks beschikt. Het scepticisme van de Centrale Vrijzinnige Raad jegens de enquête werd herhaaldelijk onder de aandacht van de minister van Justitie en de Interlevensbeschouwelijke werkgroep gebracht. De enquête voldoet niet aan een aantal basisvoorwaarden. Zo betreft de bevraging slechts een momentopname. Bovendien beschikken niet alle levensbeschouwingen over een gelijkwaardige toegang tot de gedetineerden, mogen geen campagnes opgezet worden om gedetineerden te beïnvloeden en moet iedere levensbeschouwing zich kunnen voorstellen. Uit de bevraging kunnen geen correcte conclusies getrokken worden. De groeiende diversiteit bij de bevolking op levensbeschouwelijk vlak brengt ook een verschuiving mee bij het aantal vertegenwoordigers van de verschillende levensbeschouwingen in de strafinrichtingen.

Wanneer De Wolf zonder meer stelt dat de cijfers van de enquête gemakkelijk kunnen geëxtrapoleerd worden naar de gevangenispopulatie in 2005, botst dit dus – los van het speculatieve karakter – op dezelfde bezwaren.

Geconfronteerd met het resultaat van de bevraging en in een financiële wurggreep gehouden door de bevoegde overheid, kon de Centrale Vrijzinnige Raad als loyaal lid van de Interlevensbeschouwelijke werkgroep niet anders dan voorlopig genoegen nemen met het voorstel van Verwilghen op 6 december 2001 dat vier moreel consulenten voorzag, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het vrijwilligerskorps met een vacatie- en verplaatsingsvergoeding bleef gehandhaafd.

Toen de financiële armslag van de minister nog verkleinde, waarbij het professioneel korps voor alle levensbeschouwingen verder gereduceerd werd (voor de vrijzinnigheid tot één moreel consulent), haakte de Interlevensbeschouwelijke werkgroep in consensus af.

Opvolgend minister Onkelinx heeft uiteindelijk begrip getoond voor en in de mate van het mogelijke rekening gehouden met de rechtmatige verzuchtingen van de Centrale Vrijzinnige Raad. En niettegenstaande het aantal van negen moreel consulenten onder het gevraagde aantal blijft - basis hiervoor was een document dat het aantal manuren van de vrijwillige moreel consulenten in en buiten de gevangenissen inventariseerde, wordt de vrijzinnigheid de mogelijkheid geboden om vanuit een zwaar achtergestelde positie een eerste aanzet tot professionalisering van de morele bijstand aan gedetineerden te geven en een minimum permanentie in de strafinrichtingen te verzorgen. De negen vrijzinnige moreel consulenten zijn er vier minder dan de dertien door de CD&V-minister toegekend, terwijl bovendien het benevolaat volledig verdwenen is.

Er valt de vrijzinnigheid in deze dus niets te verwijten. Evenmin zijn de verdachtmakingen jegens de betrokken politica gegrond.

De Wolf laat minister van Defensie Flahaut (PS) hetzelfde schoentje passen. Maar ook hier is enige toelichting op zijn plaats. Minister Flahaut heeft in het licht van een breed herstructureringsplan voor het leger, dat voor 2015 de afbouw van personeelsleden van defensie met een kwart beoogt, ook de kaders van aalmoezeniers en moreel consulenten herbekeken. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de bevindingen in het boek Verloren zekerheid – De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen van Dobbelaere, Elchardus, Kerkhofs, Voyé en Bawin-Legros (Lannoo, Tielt 2000), en meer bepaald hoofdstuk vier ‘Religie en kerkbetrokkenheid: ambivalentie en vervreemding’.

Concreet betekent dit dat de aalmoezeniersdienst (organiek kader) die medio 90 bestond uit 34 katholieken, 4 protestanten en 1 jood, door minister Flahaut werd teruggebracht tot 14 katholieken, plus 5 in een uitdovingskader, 1 protestant en 1 jood. Het verdient de aandacht te vermelden dat de katholieke eredienst bovendien nog kan rekenen op de inzet van zes medewerkende reserveaalmoezeniers. De dienst moreel consulenten, die aanvankelijk 20 ambten zou omvatten, werd medio 90 teruggeschroefd tot 7 en later door minister Flahaut verhoogd tot 8. Vandaag zijn evenwel slechts vier ambten van moreel consulent ingevuld. De bedienden zijn niet in deze cijfers inbegrepen.

De door de Wolf aangehaalde cijfers kloppen derhalve niet, waardoor zijn kritiek een tendentieus karakter toegemeten krijgt.

Hij hekelt ook de bijna paritaire positie van de vrijzinnigheid en de katholieke eredienst m.b.t. zendtijd op radio en televisie. Concreet heeft de Katholieke Televisie- en Radio-Omroep voor 2005 23 uur en 45 min radiozendtijd en de Humanistische Vrijzinnige Radio 21 uur en 15 min. De KTRO en Het Vrije Woord hebben elk 22 uur en 45 minuten zendtijd op televisie . Basis hiervoor is het Omroepdecreet van 1979 dat gelijke zendtijd poneerde voor de twee meest representatieve levensbeschouwingen, meer bepaald de katholieke en de vrijzinnige. Het is op zijn minst bevreemdend dat hiermee een decreet van de Vlaamse Wetgever wordt geviseerd dat destijds werd afgekondigd onder het ministerschap van mevrouw Rika De Backer, eminent CVP-politica. Bovendien wordt er voor de verschillende godsdiensten nog een aantal uren voor de eucharistieviering voorzien.

Tot slot het actief pluralisme. Wij huldigen de idee van een interlevensbeschouwelijk platform als adviesorgaan. Vanuit de vrijzinnigheid zijn wij altijd vragende partij geweest voor een interlevensbeschouwelijke samenwerking op basis van gemeenschappelijke waarden. We betreuren het dat tot op heden de christelijke kerken elk gezamenlijk initiatief blijven afwijzen. Aan de basis wordt evenwel reeds probleemloos samengewerkt tussen de verschillende levensbeschouwingen. Vraag is wat een tekst zoals deze van Koenraad De Wolf daartoe bijdraagt.

Michel Magits,
voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen
covoorzitter Centrale Vrijzinnige Raad

Volgend Recht tot antwoord, dat verscheen in Tertio nr. 273 van 4 mei 2005, werd geschreven door UVV-voorzitter Michel Magits onder de titel ‘Samen naar een actief pluralisme?!?’. De redactie van Tertio veranderde deze titel naar: ‘Michel Magits van de Unie Vrijzinnige Verenigingen: ‘De strijdbijl blijkt nog niet begraven.’’

Bookmark and Share

  PrintPrint milieuvriendelijk

 

Vragen?

Wij beantwoorden met plezier al uw vragen