Waarom geen maatschappelijk debat over kerkbelasting?
De voorstellen van vier PS-kamerleden om via een gemeentelijk referendum uit te maken of een gemeente al dan niet bepaalde kosten van erkende godsdiensten op zich dient te nemen, heropent het debat over de financiering van de godsdiensten. De georganiseerde vrijzinnige niet-confessionele gemeenschap blijft principieel de scheiding van kerk en staat verdedigen, maar dit dient evenwel op grond van gelijkheid te gebeuren. Het is duidelijk dat een gemeentelijk referendum voorbij gaat aan het principe van gelijkheid omdat op die manier elke gemeente een eigen regelgeving terzake kan ontwikkelen.
De laatste maal dat de discussie betreffende de scheiding van kerk en staat opnieuw aan de oppervlakte kwam, dateert van november 1998 toen PSC-voorzitter Philippe Maystadt zich bereid verklaarde om te praten over de financiering van de erediensten en de levensbeschouwingen. Dit voorstel, dat niet alleen een politieke en levensbeschouwelijke dimensie impliceert, maar tevens een wijziging van de grondwet vereist, heeft niet geleid tot een wetswijziging zodat alles bij het oude bleef. Met het aantreden van de paars-groene regering liggen de politieke kaarten wellicht gunstiger om dit dossier opnieuw bespreekbaar te maken.
De scheiding van kerk en staat gaat uit van drie fundamentele principes. Ten eerste impliceert dit de niet-inmenging van de kerk(en) in staatsaangelegenheden, hetgeen concreet betekent het stopzetten van alle praktijken die er toe strekken de belangrijkste godsdienst de facto als staatsgodsdienst voor te stellen. Voorbeelden zijn het Te Deum, kruisbeelden in openbare gebouwen, de positie van de kardinaal in het protocol … Ten tweede veronderstelt dit de niet- inmenging van de staat in de aangelegenheden van de kerk(en). De overheid komt derhalve niet tussen in de interne organisatie van een kerk of levensbeschouwing, in de benoeming van hun vertegenwoordigers, in de vastlegging van de ethische standpunten … Ten derde gaat de scheiding van kerk en staat uit van de autonomie van elk individu aangaande zijn/haar levensbeschouwelijke of religieuze overtuiging en de beleving ervan.
Daar een doorgedreven scheiding tot op heden niet haalbaar was, streefde de vrijzinnige gemeenschap naar een gelijkberechtiging met de verscheidene erediensten. Deze betrachting werd in 1993 grondwettelijk verankerd in artikel 181, tweede lid. De uitvoeringswet is evenwel nog steeds niet in het parlement goedgekeurd zodat de ongelijke behandeling, hoewel grondwettelijk opgeheven in de dagelijkse werking nog steeds bestaat. Bovendien stoelt de financiering van de erediensten nog steeds op arbitraire en onbillijke gronden. Uitsluitend om historische redenen gaat immers 97% van de overheidsfinanciering naar de rooms-katholieke eredienst. Dit terwijl wetenschappelijk onderzoek (Kerkhofs, Dobbelaere, …) aantoont dat het aantal kerkgangers nog nauwelijks 15% bedraagt.
De discriminatie van vrijzinnige burgers duurt derhalve voort en is in strijd met nationale en internationale regelgeving. Het beginsel van non-discriminatie tussen gelovigen en niet-gelovigen wordt overigens expliciet bevestigd door het internationale recht, met name in artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 of nog in artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd door de Belgische wet van 15 mei 1981.
De resolutie 36/55, op 25 november 1981 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, nodigt de staten uit doeltreffende maatregelen te nemen om elke discriminatie gebaseerd op godsdienst of overtuiging te elimineren.
Een studie uitgevoerd door de Centrale Raad der Niet-Confessionele Levensbeschouwelijke Gemeenschappen van België (Verhouding staat, kerk en vrijzinnigheid, 1996) verschaft een rechtsvergelijkende benadering van de vormen die de verhouding tussen kerken of levensbeschouwelijke gemeenschappen hebben aangenomen, alsook de evolutie die ze hebben ondergaan. De studie analyseert tevens de wijze waarop de overheden de diverse godsdiensten en niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen financieren en belicht in het bijzonder het systeem van de “kerkbelasting”.
De niet-confessionele vrijzinnige levensbeschouwelijke gemeenschap vraagt een diepgaand maatschappelijk debat over de huidige financiering van de erediensten en de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen. Het systeem van belastingen bestemd voor levensbeschouwingen, of de “kerkbelasting”, die de burger in de mogelijkheid stelt te kiezen voor de kerk of levensbeschouwelijke gemeenschap die zijn/haar voorkeur wegdraagt, sluit beter aan bij de eerbiediging van de vrijheid van eredienst of overtuiging van elke burger.
In een dergelijk systeem moet echter gestreefd worden naar: de vrijwaring van de privacy jegens de overheid inzake religieuze of levensbeschouwelijke keuze; een duidelijke en neutrale regeling voor het geval dat de burger zich onthoudt bij het uitbrengen van de keuze; een redelijke beperking van de keuzemogelijkheden tot de godsdiensten en de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen waarbij o.i. ook humanitaire organisaties met een pluralistische visie in aanmerking kunnen komen; een redelijk aandeel van de globale belasting ten voordele van deze of gene gemeenschap en tot slot een doorzichtige regeling wat betreft de besteding van deze middelen.
Deze nieuwe financieringswijze vergt derhalve een grondige aanpassing van de huidige (fiscale) wetgeving en, afhankelijk van de hervorming, van de grondwet. Het voordeel van deze vernieuwing is tweeërlei: vooreerst krijgt de grondwettelijke theorie inzake de scheiding van kerk en staat een praktische uitwerking, ten tweede zou een ondoorzichtig en verouderd systeem vervangen worden door een aan de eenentwintigste eeuw aangepaste financieringswijze die het beschikbare geld over de verscheidene erediensten en levensbeschouwingen zou herverdelen.
Prof. Dr. Michel Magits
Voorzitter Unie Vrijzinnige Verenigingen
(foto: Money, it's a crime van kiki99)